Verhaal

Restaurant De Toerist en zijn voorgeschiedenis (1817-1995)

Van het bekende Zwolse wegrestaurant De Toerist - sinds 1935 gelegen aan de oude rijksweg naar Meppel, bij de Vechtbrug - wordt in de Zwolsche Courant van 9 augustus 1977 een korte geschiedenis gegeven. Deze begint met de aankoop in 1900 door W.H. Ester van een café gelegen aan de Hessenweg, voorheen eigendom van G.J. Boerrigter.

De geschiedenis van dit pand rijkt echter ten minste 65 jaar verder terug, tot 1835. Het etablissement blijkt daarvóór nauw verbonden te zijn met de in het begin van de negentiende eeuw nog bestaande tol op de Hessenweg, bij het Zwolse Tolhek aan de Berkumerbrug.

 

De herberg bij het Zwolse Tolhek (1817-1835)

De oudste voorloper van restaurant De Toerist was een tol annex tapperij, die ten noorden van de Berkumerbrug bij het Zwolse Tolhek De Tol lag.

De stad Zwolle, de eigenaar, verpachtte deze tol aan Henrikus Jansen. Voor de tol ‘met het huis daarbij’ moest hij gedurende de periode 1817 t/m 1819 ƒ 310 per jaar betalen. De pachtcondities waren kennelijk aantrekkelijk, want vóór de vervaldatum verzocht Henrikus Jansen de pacht te verlengen voor dezelfde prijs voor een periode van twaalf jaar. Bovendien vroeg hij of de stad in het huisje een nieuwe schoorsteen en een keldertje wilde laten aanbrengen. In april 1819 besloot de gemeenteraad de tol met het huisje weer aan hem te verpachten, tegen een jaarlijkse pacht van ƒ 350. Nieuw was echter de bepaling, dat van transporten van arme zieke reizigers geen tol mocht worden gevraagd. Bovendien moest de pachter jaarlijks een extra bedrag van 5 procent van de verbouwingskosten betalen.

 

 

Henrikus Jansen heeft deze twaalf jaar echter niet uitgediend. Hij overleed op 2 april 1825 op 48-jarige leeftijd. Hij werd toen herbergier genoemd; men mag dus aannemen dat hij zijn tol ook als café/herberg had ingericht.

Zijn weduwe, de ‘herbergierse’ Geertje Willems Kamerman, hertrouwde in 1826 met Hermannus Derksen Boerdijk. Het tolrecht ging na het overlijden van Henrikus Jansen over op zijn weduwe, en door haar huwelijk, op Hermannus Boerdijk. Deze heeft zijn functie als tolgaarder waarschijnlijk gecombineerd met die van landbouwer en herbergier. Toen in 1831 het contract afliep wist Boerdijk nogmaals het tolrecht te verwerven, en wel tot en met 1834.

Gedeputeerde Staten van Overijssel hieven de tol op de Hessenweg per 1 januari 1835 op. Bovendien zou het tolhuisje moeten worden afgebroken en ging het onderhoud aan de weg over op de betrokken gemeenten. Op 8 december 1834 werd ten huize van Hermannus Boerdijk, ‘kastelijn in 't tolhuisje’ openbaar ‘voor afbraak verkocht het tolhuisje met het tolhek.’ Het huisje moest tussen 1 mei en 1 juni 1835 worden afgebroken. Boerdijk kocht het huisje zelf voor 120 gulden. Mr. Sichterman kocht het tolhek voor 43 gulden.

Omdat Boerdijk de kooppenningen niet voor 1 mei 1835 betaalde, (mogelijk doordat hij op 6 mei van datzelfde jaar voor 550 gulden een stuk hooiland kocht) legde de stad Zwolle hem op 1 juli 1835 een hypotheek op voor hetzelfde bedrag, namelijk 120 gulden. Uiteindelijk zal hij wel betaald hebben, want korte tijd later woonde hij volgens de kadastrale gegevens op perceel D336, later D580, aan de Hessenweg dichtbij de kort daarvoor gereedgekomen Berkumersluis in het Lichtmiskanaal, thans Hessenweg 5.

Uit kadastrale gegevens blijkt dat de tol en herberg op het Tolhek de directe voorganger is geweest van de herberg op Hessenweg 5. Deze stond daar in 1935 nog als De Toerist; en als meermaals verbouwde woning stond het er ook nog in 1995. Eveneens blijkt dat Boerdijk zijn tolhuisje inderdaad heeft afgebroken en verplaatst, d.w.z. nieuw opgebouwd.

 

 

Opmerkelijk is dat de herberg van Boerdijk voor een groot deel op de kadastrale wegstrook is geplaatst. Een eigendomsverwerving onder de naam Boerdijk is niet te vinden in de hypothecaire boekhouding noch in het notarieel archief.

Boerderij/herberg bij de Berkumersluis (1835-1935)

Vanaf 1835 zette Boerdijk zijn landbouwbedrijf annex herberg aan de Hessenweg bij de Berkumersluis voort. In die tijd was het adres Berkum, Bruggenhoek 19; nu Hessenweg 5. Het lag aan de Hessenweg naar Ommen-Hardenberg, op de hoek van de nieuwe weg naar Meppel langs het Lichtmiskanaal, bij de juist geopende sluis in dit kanaal.

Drie generaties Boerdijk hebben vanaf 1835 tot 1900 op deze plaats hun landbouwbedrijf annex herberg gehad. Het gebied is later uitgebreid met twee percelen met ieder een schuur. Deze schuren werden gebruikt voor de opslag van turf en voor de stalling van paarden; voor een herberg zeer belangrijk.

De in 1895 geopende tramlijn Dedemsvaart - Zwolle liep vlak langs het huis.

Hermannus Boerdijk was dus de eerste eigenaar/bewoner van de herberg. Dochter Willemina trok na haar huwelijk in 1852 met Kornelis Boerrigter bij haar ouders in en nam langzamerhand de werkzaamheden van het boerenbedrijf en de herberg over. Toen Hermannus' vrouw Geertje Kamerman in 1856 overleed, had deze alle onroerende goederen vermaakt aan haar man. Na het overlijden van Kornelis Boerrigter in 1871 zette Hermannus de zaak met zijn dochter voort. Na de dood van Hermannus in 1877 kwam het hele bezit in handen van Willemina.

Deze zette het bedrijf voort samen met haar enige zoon Gerrit Jan. Hun bestaan moet met de nodige financiële problemen gepaard gegaan zijn. Zij nam een hypotheek van ƒ 4.000,-, verstrekt door de RK Parochie van OLV Hemelvaart te Zwolle. En daar bleef het niet bij: de leningen en de schulden bleven zich opstapelen. In 1892, toen zij overleed, stond er naast de onroerende goederen, een huis en bijna 4,6 ha grond, een schuld van ƒ 7.200,- en een batig saldo van minder dan ƒ 1.000,-.

 

 

Het liep niet goed met de herberg. Gerrit Jan Boerrigter kon de rente over de hypotheek niet betalen. De parochie van OLV Hemelvaart ging daarop over tot openbare veiling van de goederen. Zo kwam op 3 april 1900 Willem Hendrik Ester voor ƒ 4.505,- in bezit van het huis en erf. Het huis had een vergunning tot verkoop van sterke drank. Het bevatte twee vertrekken en ook een koeie- en een paardestal. Verder hoorden er twee percelen hooiland bij. Gerrit Jan Boerrigter vertrok na de verkoop naar Enschede.

Willem Hendrik Ester was een landbouwer uit Dalfsen. Al een week na de koop kreeg hij zijn drankvergunning. Van de kennelijk redelijk florerende zaak - die om onbekende redenen ‘de zinken plaat’ werd genoemd - was hijzelf naar men zegt de beste klant. Passanten werden naar zijn herberg genood met het fraaie rijm op het bord boven de deur:

            ‘Bent ge afgemat en moe

            kom dan een weinig rusten

            bij Hendrik Ester aan de sluis,

            die heeft goede bier en brandewijn in huis.’

 

In 1910 bouwde hij haaks op de boerderij/herberg een nieuwe woning (nu Hessenweg 7). Slechts enkele jaren later, in 1914, verkocht hij alle opstallen aan zijn jongere broer Lammert Jan Ester. De reden van deze verkoop was waarschijnlijk de ziekte van zijn vrouw, die in 1915 overleed. Hij behield wel het woonrecht op Hessenweg 8, waar hij tot zijn dood in 1941 bleef wonen.

Lammert Jan Ester was vóór 1914 tapper en veerman van het Haersterveer. In die functie werd hij toen opgevolgd door zijn neef Jan Kouwen, de schoonzoon van Willem Hendrik Ester. In mei 1915 kreeg hij zijn drankvergunning. Spoedig daarna richtte hij de in 1910 gebouwde woning in als café.

 

 

De situering van het café veranderde dus. Tot 1910 was het op de Hessenweg naar Dalfsen georiënteerd; na 1914 op de straatweg Zwolle-Meppel. Verkeersstromen veranderen met de tijd! In 1923 verkocht Lammert Jan Ester de zaak aan zijn schoonzoon Hendrik Willem Henderiks. In de jaren dat Henderiks de scepter zwaaide in het café werd het alom bekend. In de volksmond werd het café Henderiks genoemd, maar officieel heette het café De Toerist.

Restaurant De Toerist, Kranenburglaan 10 (1935-1995)

In 1934 nam H.W. Henderiks - vanwege de aanleg van de nieuwe verkeersweg van Meppel naar Zwolle en de nieuwe brug over de Vecht - het initiatief om een geheel nieuw en modern restaurant te bouwen op het adres Kranenburgweg 10. In 1935 werd de eerste steen gelegd door zijn enige dochter Gerrigjen. Daarmee werd een nieuwe periode ingeluid, een nieuwe start gemaakt; geen café maar een Restaurant!

Tot na de Tweede Wereldoorlog was de ontwikkeling zeer rustig. Nadat in 1947 de leiding over het bedrijf was overgenomen door de oprichter's schoonzoon Albert Spijkerman, profiteerde het na 1950 ten volle van de explosieve economische ontwikkelingen. De eerste uitbreiding vond al plaats in 1954. Inmiddels is het restaurant vele malen - 1960, 1970, 1977 - verbouwd, uitgebreid en regelmatig aangepast aan de eisen van de tijd.

Het restaurant - toen nog een van de weinige familie-restaurants - werd in 1981 omgezet in een BV, die vanaf 1985 onder de directie van H.W. Spijkerman stond. In mei 1995 werd het bedrijf overgenomen door het Van der Valk-concern.

In een periode van 160 jaar is er zeer veel veranderd. De karresporen van 1835 zijn de straatwegen van 1935 geworden en, voorzover deze nog bestaan, zijn ze in 1995 getransformeerd in twee- en vierbaans autosnelwegen. Evenzeer is de weggebruiker veranderd. De reiziger met de diligence van 1835, de wegtoerist van 1935, ze zijn verdwenen en in de plaats daarvan is gekomen de snelle en gehaaste autorijdende zakenman van 1995.

Gelukkig weet ook in 1995 deze gehaaste 'wegtoerist' nog steeds De Toerist bij Zwolle te vinden en te waarderen. Dit kan gezien worden als een bevestiging dat het lange verleden van het restaurant borg staat voor een voorspoedige toekomst.

 

Dit artikel van W.H. Ester is eerder gepubliceerd in het Zwolse Historisch Tijdschrift 1996 - nr. 1               Het artikel is gebaseerd op een langer artikel dat zich in het Historisch Centrum Overijssel bevindt. Het is geschreven vóór de overname door het Van der Valk-concern in mei 1995.

 

 

Reacties