Verhaal

Ovenbrand en brandewijn – De geschiedenis van de Zwolse glasblazers

Auteur: 
Arnold Carmiggelt

De eerste glasblazerij in Nederland werd opgericht in 1581 te Middelburg. In tegenstelling tot de meeste andere glashuizen in de Republiek bleef zij relatief lang in bedrijf, tot 1645. Dit is opmerkelijk, want ondanks de steun en subsidies die de glasblazerijen veelal van de stedelijke en/of provinciale overheden ontvingen, verdwenen zij meestal al weer, nadat ze slechts enkele jaren werkzaam waren geweest. De reden van dit mislukken deze nijverheid tot bloei te brengen, is niet glashelder. Buitenlandse concurrentie lijkt één van de belangrijkste oorzaken te zijn. Eveneens niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van de nijverheid in de Republiek was de geringe arbeidsdiscipline van de glasblazers en het feit dat zij internationaal bekend stonden als driftkoppen. Dit laatste is begrijpelijk; naarmate men de oven hoger opstookte, steeg het drankgebruik! Laatstgenoemde facetten zullen we ook bij enkele Zwolse glasblazers terugvinden. Hier liep een ruzie dermate uit de hand, dat een glasblazer zelfs zijn collega vermoordde.

Gaillard

De geschiedenis van de Nederlandse glasproductie kan niet geschreven worden zonder de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 te vermelden. De vlucht van Hugenoten, die hiervan het gevolg was, zorgde voor een toestroom van Franse glasblazers naar de Republiek. Deze laatste groep nam bij hun vestiging hier veelal weer hun oude beroep op.

Louis Gaillard, een Franse vluchteling, geboren te St. Marcellin in de Dauphiné is in 1698 vanwege de “vreetheyt des Konincks van Vranckrijk” naar de Republiek uitgeweken. Hij verblijft in 1688 in Zwolle. Schepenen en Raad verlenen op 27 maart van dat jaar aan hem en (zijn broer?) Daniel Gaillard toestemming om een glasblazerij op te richten en verlenen beiden vrijheid van alle provinciale en stedelijke accijnzen voor een periode van tien jaar. Bovendien ontvangen zij een subsidie van honderd gulden en mogen zij hun bedrijf vestigen in het zogenaamde “Klokkehuis”. Dit Klokkenhuis was geleden in de Kloksteeg, een smal straatje dat zijn naam ontleende aan het Klokkenhuis en aan de oostzijde van Broerenkerk in noordelijke richting liep. Het Klokkenhuis was in de zeventiende eeuw eigendom van de stad. Wanneer de Gaillard’s met de eigenlijke productie van glaswerk zijn begonnen, is onduidelijk. Op 22 november 1688 is er echter reeds sprake van een kind dat wordt begraven en dat woonde bij “het glashuis”. In de Memorie inzake de glashuizen in Nederland (uit 1698?) die zich in het gemeentearchief van Gouda bevindt, leren we dat Louis Gaillard pas in 1692 in Zwolle als glasblazer begonnen zou zijn, maar dit lijkt niet in overeenstemming met de gegevens die we in het gemeentearchief van Zwolle aantreffen.

In 1688 wordt aan “de participanten van de glasblaserie” opnieuw een subsidie verleend van 500 of 600 gulden voor de tijd van vijf of zes maanden. Een jaar later gaat Louis Gaillard in ondertrouw net ene Suzanna Krouse.

Doordat de gereformeerde Franse vluchtelingen vrijstelling van stadsaccijnzen wordt gegeven, bevestigen Schepenen en Raad in 1690 nog eens nadrukkelijk dat meester glasblazer Daniel Gaillard geen turfaccijns hoeft te betalen. Louis wordt hierin niet genoemd. Hij zal echter nog wel in Zwolle wonen, want op 8 oktober 1693 vinden we in het doopboek van de Waalse Gemeente dat op die datum ‘Charles Gaillard, fils de Noble Louis Gaillard” ingeschreven wordt.

Louis Gaillard blijft echter niet in Zwolle. We weten dat hij in 1697 “meester en direkteur” is van het glashuis in Gouda. Louis Gaillard moet voor december 1720 overleden zijn, aangezien zijn vrouw dan als weduwe aangeduid wordt. over Daniel Gaillard vinden we in de archieven niets meer terug.

De Fer / Del Ferro

Uit de reeds eerder genoemde Memorie inzake de qlashuizen in Nederland blijkt dat in 1694 ene Leander de Fer en in 1697 “Leander de zoone” in Zwolle een glasblazerij beginnen. Hoewel de jaren niet helemaal lijken te kloppen, komen we de betreffende personen wel in Zwolse archiefstukken tegen. In 1691 wordt door Schepenen en Raad aan Leander del Ferro een glasblazerij, een werkhuis, een daarbij gelegen woning  en vrijheid van turfaccijns verleend voor zes achtereenvolgende jaren.

In 1696 gaat del Ferro in ondertrouw met ene Deliana Hamer uit Nijmegen. Een kind uit een eerder huwelijk, Leon del Fer(r)o  genaamd (de hiervoor genoemde “Leander de zoone”), wordt door Schepenen en Raad op 5 mei 1695 eveneens toestemming verleend om de glasblazerij, het werkhuis, een daarbij behorend “camertjen” te Betrekken. Ook hij krijqt vrijheid van alle accijnzen. Blijkbaar neemt hij in dit jaar het bedrijf van zijn vader over. In deze resolutie van Schepenen en Raad wordt, tevens opgetekend dat men wel verwacht “dat het werk in de voornoemde glasblaserije met meerder ijver aIs voor desen” zal worden uitgevoerd. In hetzelfde pand waar zich de glasblzerij en het werkhuis bevinden, werkt ook een zekere Roelof Morgenstern die er een karrelspinnerij (voor het maken van zeildoek en canvas) op nahoudt.

Op 11 november 1697 wordt de glasblazerij verhuurd aan ene Raamhorst, een rietsnijder van beroep, die echter wel weer direct moet verdwijnen wanneer de stedelijke overheid dit wenst. De laatste jaren van de zeventiende eeuw en het eerste decennium van de achttiende eeuw, vormen een duistere periode in de geschiedenis van de Zwolse glasblazers. Waar dit beroep in de stad werd uitgeoefend en of het überhaupt wel in deze periode plaatsvond, is onduidelijk. Pas in 1711 weten we meer. Dan wordt aan Leon del Ferro toestemming verleend om in het Klokkenhuis zijn glasblazerij te vestigen. Zijn zoon, Mareus del Ferro, is als knecht werkzaam in dit bedrijf. We zullen hem in de volgende paragraaf nog tegenkomen. Voor 1722 moet het glashuis verdwenen zijn, omdat er in het Klokkenhuis dan een “bukkingdrogerije” gevestigd wordt.

De moord

Op een dinsdag in februari van het jaar 1714 zouden de glasblazers uit het bedrijf van del Ferro samen mosselen gaan eten in het huis van hun collega Jacobus Buis. Het waren Lambertus Moor{e) en zijn zoon Martinus, Laurens Wijnenaer, Gerard Nobel, Berent Smit, Jean Fabre en Marcus del Ferro. Jean Fabre was om 12 uur ‘s middags, vlak voordat er gegeten zou gaan worden, nog even naar huis gegaan om zijn muts, die hij altijd tijdens zijn werk droeg, te verwisselen voor een pruik en hoed. Zijn kostbaas viel het echter op dat Jean Fabre ook een degen van boven haalde en deze beneden neerlegde. Wat had dat te betekenen?

Een aantal glasblazers hield zich rond het middaguur bezig met het halen en bereiden van mosselen, terwijl Martinus Moor, Marcus del Ferro en Jean Fabre nog even een borreltje vooraf namen ten huize van Berent Smit. Een hoedenmakersknecht, Andries Hoijer genaamd, was hierbij ook aanwezig. Deze laatste vertelt aan Martinus dat Marcus del Ferro en Jean Fabre ruzie met elkaar hebben. Martinus biedt hun een glaasje brandewijn aan om de zaak bij te leggen, maar hoewel Jean Fabre hiertoe wel genegen is, blijft Marcus koppig “zeggende gij moet eerst met mij slaan met den degen eer ik drink”. Na deze woorden verlaat Marcus het pand.

Martinus moet van de ernst van de zaak en deze woorden doordrongen zijn geweest, want hij gaat naar het huis van Jean Fabre om zijn degen voor de zekerheid weg te nemen. Martinus heeft de degen onder zijn rok gestoken en op zijn weg terug naar het huis van Berent Smit, komt hij Jean Fabre tegen die hem vraagt of hij zijn degen heeft. Martinus antwoordt bevestigend, maar deelt hem tevens mee dat hij deze niet krijgt.

Wanneer Martinus terugkeert naar het huis van Berent Smit, treft hij hier alleen Andries Hoijer aan, die hem vertelt  het een goede zaak te vinden dat Martinus de degen heeft meegenomen om op deze wijze een escalatie van de ruzie te voorkomen. Beide heren drinken hier nog een glas brandewijn op. De talrijke glaasjes leiden ertoe dat Martinus “genoodsaakt wierd om uit te gaan om sijn behoef te doen”.  Hij verstopt de degen zolang achter een kast, “zeggende tegens Andries dat se den degen aldaar niet zouden vinden”. Wanneer Martinus echter terugkomt, blijkt dat zowel Andries Hoijer als de degen verdwenen zijn. Martinus besluit nu om naar het huis van Jacobus Buis te gaan.

Wanneer hij hier aankomt, treft hij Andries aan die nu twee degens onder zijn rok heeft. Martinus en even later de andere glasblazers proberen hem over te halen om de degens af te geven. Maar Andries weigert want “seggende dat de degens maar zoude naar buiten brengen om zijnwoort te houden, dog niet ter plaatse daar Del Ferro en Fabre het zelve besteld hadde en dat zulks met swaare eeden hadden bevestigt”. Na deze woorden vertrekt Andries met beide degens.

Na een klein half uur komt er een “Deensche ruiter” aan de deur van Jacobus Buis die het gezelschap mededeelt dat er buiten de Diezerpoort een glasblazer gewond ligt, welke een pruik en een hoed met een gouden boordsel op heeft en in een witte rok gekleed is. De glasblazers vertrekken naar de plaats des onheils. Bij aankomst wordt het slachtoffer, Jean Fabre, op een ladder gelegd. Jean spreekt met enige daar aanwezige onderofficieren van het regiment van de prins van Oranje nog enige woorden in het Frans, waar de glasblazers weinig van begrijpen. Daarna sterft hij.

Martinus en Lambertus Moor en Jacobus Buis gaan nu richting de herberg “de Hanekamp” om Marcus del Ferro te zoeken. Ze treffen hem inderdaad hier in een beschonken toestand aan, op het punt staande om te vertrekken samen net een schipper. Lambertus vraagt, nog aan Marcus “wat zijnent wegen aan desselfs papa en mama zoude seggen”. Marcus antwoordt schouderophalend met de woorden: “segt mij alle Swolsche meisjes goede nagt”. Daarop vertrekt Marcus in de richting van het Katerveer en nadat de glasblazers hun bier bij de herberg hebben leeggedronken, volgen zij zijn weg.

Wanneer zij, evenals Marcus, over de IJssel zijn gezet door de veerschipper van het Katerveer, treffen zij aan de overkant in een huis Marcus aan. Eén van de huisgenoten maakt duidelijk dat hij daar niet kan blijven; “dat ijmand van het huisgezin hadde gezegt dat wanneer haar een dubbeltjen wierde gegeven zij genoodsaakt zoude weesen om iemand welke een ongeluk hadde gehad te moeten bewaren tot de tijd dat dezelve van het Gerigte wierde afgehaalt”. Deze woorden gehoord hebbende, vertrekt Marcus in de richting van Hattem en zover we kunnen nagaan, keert hij nimmer meer in Zwolle terug.

Ook over de andere glasblazersknechten valt vrijwel niets neer terug te vinden. Wel wordt het lijk van Jean Fabre in opdracht van het gerecht nader geschouwd. Twee steken hebben hem dodelijk getroffen: “een steeck ontrent het reghter sleutelbeen welke penetrant was tot in de borst jaa zelfs tot in de reghter lobus van de longe was gaande” en: “De tweede steeck is geweest onder het diaphragma of het middelschot ande slinker sijde schuins ter sijde het cartilago ensiformis, welke steeck door de maage was gaande..”. Deze lijkschouwing vindt plaats op 22 februari 1714. Een dag later wordt Jean Fabre begraven.

Het einde

Zoals reeds eerder werd vermeld, moet de glasblazerij van Leon del Ferro voor 1722 met haar werkzaamheden getopt zijn. Daarna wordt het Klokkenhuis als haringdrogerij benut.

In 1730 wordt door Schepenen en Raad toestemming verleend aan Johan Jacob Beijer om in het Bolwerk achter Nijkerkenskolk een gebouw neer te zetten om aldaar spiegel- en vensterglas te gaan produceren. Daarbij zal Johan Beijer vrijgesteld worden van de accijnzen op brandhout en kolen. Het is de vraag of Beijer, die op dat monent nog in Amsterdam woont, ooit naar Zwolle is gekomen. Over zijn persoon en over zijn op te richten bedrijf, treffen we niets in de archivalia aan.

Tenslotte kunnen we de glasblazer Jan Berend Boode nog vermelden die in 1812 als vader van Frans Boode genoemd wordt. Jan Berend en zijn vrouw Dina van Hamelen zijn beiden reeds overleden. Vermoedelijk heeft Jan Berend zijn vroegere beroep elders uitgeoefend.

We kunnen stellen dat de geschiedenis van de Zwolse glasblazers een typische afspiegeling is van het alge mene, landelijke beeld dat we kennen van de ontwikkeling van deze nijverheid. Buitenlanders spelen veelal bij de oprichting een initiërende rol. Na 1685 zijn dat vooral de Franse Hugenoten. Hoewel de overheid veelal stimulerend werkte bij de vestiging van glashuizen, komen de bedrijven niet echt goed tot ontwikkeling. Overmatig drankgebruik van veel glasblazers zal hierbij ook niet positief gewerkt hebben.

Dit artikel is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 2 -1989. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Reacties