Verhaal

J.G. Nicolai, stadsmusicus en organist van Zwolle (1744-1801)

Auteur: 
H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler

Naast de vier manualen van het in 1721 voltooide orgel in de Grote Kerk te Zwolle, trof men vóór de grote restauratie van 1955 een naam aan: 'Johan Gottlieb Nicolai'. Deze inscriptie doet vermoeden dat Nicolai iets te maken heeft gehad met het Schnitger orgel. Inderdaad woonde en werkte in het laatste kwart van de achttiende eeuw in Zwolle een musicus met deze naam. Hij had de eer de vijfde vaste organist in successie van het beroemde orgel te zijn. Voor hem hadden Everwijn Metelercamp, Wolter Wolters, Henricus Radeker en Anthon Christiaan Stechwey op de orgelbank plaatsgenomen.

Organisten stonden destijds in dienst van de burgerlijke gemeente en dientengevolge behoorden benoemingen en ontslagen tot de competentie van het stadsbestuur. Een dergelijke situatie bestaat nog in Haarlem. Dat de magistraat na de Reformatie de zeggenschap over de orgels had, was niet meer dan een bestendiging van een lang bestaande toestand. Ook andere muzikanten, zoals klokkenisten en trompetters, waren in dienst van de stad.

Wie was nu Nicolai, welke muzikale activiteiten ontplooide hij en hoe dachten zijn tijdgenoten daarover? We zullen in dit artikel proberen een antwoord op deze vragen te vinden aan de hand van archivalia, krantenberichten en muziekhistorische collecties. Opgemerkt zij nog dat Nicolai een tijdgenoot was van Haydn, Mozart en Johann Christian Bach, waarmee we hem in de 'klassieke' periode van de muziekgeschiedenis kunnen plaatsen.

Zijn komst naar Zwolle

Er bestaat geen goed historisch overzicht van het Zwolse muziekleven. Zowel oudere als jongere auteurs beperken zich meestal tot de geschiedenis van de orgels of tot de geschiedenis van de organisten. Wij noemen Van Apeldoorn, Hartmans en Vente. Recentelijk hebben Ten Bokum en Zeiler de ontwikkeling van het muziekleven in regionaal verband behandeld. De eerste beschreef de negentiende en de vroege twintigste eeuw, de tweede de direct daaraan voorafgaande periode. Vooral dit laatste onderzoek heeft veel nieuwe gegevens opgeleverd met betrekking tot Nicolai en zijn tijdgenoten.

Jan Pieter Heije (1809-1876), medicus en tekstdichter van liederen 'in de volkstoon', deelt ons mee dat Nicolai in 1744 werd geboren in het Duitse Gross Neundorf. Heije's Belgische collega-musicoloog Grégoire noemt 1775 als jaar van Nicolai's benoeming tot organist van de Grote Kerk: 'Les organistes connus de cette église sont: Nicolai (1775), Röhner (1801), S.A. Hempenius (1821) et son fils Hempenius (1849)'.  Van Apeldoorn conformeert zich aan deze gegevens, al wordt elders vermeld dat Nicolai reeds in februari 1774 als organist in Zwolle werkzaam zou zijn geweest. Mogelijk is hij toen al een tijdlang invaller voor Stechwey geweest.

Zijn officiële aanstelling is echter van 1775, zoals blijkt uit de uitgebreide 'Memorie wegens het gepasseerde omtrent de vacante organistenplaats door het overlijden van de organist Stechwey...'. Uit deze Memorie blijkt dat het stadsbestuur had besloten ' te beroepen niet alleen een organist, maar een goed Musicus'. Kandidaten werden opgeroepen zich 'in persoon en met hunne schijnen en bescheiden van goed gedrag en bekwaamheid' ter secretarie te melden. Wel moesten zij van protestantse religie zijn, doch dat werd ruim opgevat: ook lutherse, doopsgezinde of waalse kandidaten kwamen in aanmerking. De procedure nam een volle week in beslag. Op 18 april 1775 meldden zich zeven sollicitanten, onder wie tenminste drie Duitsers. Ook twee Zwolse muzikanten waren van de partij: Hans Hendrik Cremer en Evert Voorthuis. Iedere kandidaat moest allereerst een kwartier op het orgel van de Grote Kerk spelen. Verplicht was één vers uit psalm 42 'en vorders aan haar zelfs overgelaten waar mede het overige van haar tijd wilden doorbrengen ter betoninge van haar kunst'. Er waren steeds twee assistenten aanwezig voor het registreren en dergelijke, terwijl een roededrager (politiefunctionaris) toezag dat de gegadigden niet over de balustrade kwamen. Het was namelijk de bedoeling dat de toehoorders het spel anoniem, en dus zo objectief mogelijk, zou kunnen beoordelen. Tevoren was om de volgorde geloot. Naast de gecommitteerden konden ook de magistraat en gewoon publiek komen luisteren.

Drie dagen later volgde het proefspel op het stadsclavecimbel. Dit vond plaats in de raadskamer op het stadhuis en werd bijgewoond door leden van het muziekcollege, de edelen, gemeenslieden en predikanten alsmede gewone 'liefhebbers'. Van 3 tot 6 uur passeerden de kandidaten de revue, elk met een verplichte sonate (er staat helaas niet bij vermeld, van wie) en een stuk naar keuze.

Cremer en Voorthuis lieten de sonate schieten. Zij gaven bij de derde en laatste ronde op 24 april, te kennen van verdere deelname af te zien. Die extra ronde op het orgel werd nodig geacht 'vermits uit al het voorscrevene niet genoegzaam geoordeeld konde worden van de konst, als hebbende behalven de Psalm het vordere van buiten geleerd kunnen hebben'. Daags daarna vertrokken de  kandidaten. De 'uitheemsche' ontvingen 8 ducaten reiskostenvergoeding. Kliebosch uit Leiden, Nicolai uit Munster en Bos uit Tiel werd gevraagd 'als meest in consideratie komende' zich voor een eventuele verdere procedure beschikbaar te houden. Vier weken later was de benoeming van Nicolai een feit. In letterlijke zin zou hij snel zijn ingeburgerd: een goed jaar later werd hem op zijn verzoek het Klein Burgerschap van de stad Zwolle verleend.

Het openbare muziekleven

Volgens de instructie voor de organist uit 1722 diende hij, als er geen dienst was, twee maal per week de bezoekers van de Grote Kerk met orgelspel te vermaken. Zo'n 'wandelconcert' vond elke dinsdag en vrijdag van 4 tot 5 uur plaats, aanvankelijk alleen 's zomers, maar in Nicolai's tijd ook in de winter. Dat laatste blijkt uit het verzoek dat de stadsmusicus in 1777 deed 'om gedurende de maanden januarij & februarij de uuren in de week des agtermiddags, om de koude, niet op 't orgel te speelen...'. Het verzoek werd zonder opgaaf van redenen geweigerd. Gelukkig kon de organist later dat jaar de leiding geven aan een wel zeer bijzonder concert. Dit werd op 26 augustus 1777 gegeven in de Grote Kerk ter ere van de ontvangst van prinses Wilhelmina en haar kinderen, die op doorreis naar Friesland Zwolle aandeden. De 'memoriale aantekening' vermeldt over deze audiëntie: 'Dat bij t inkoomen der Kerk 't Muziek en 't Orgel zig hebben laten hooren, ophoudende gedurende den tijd, dat bij Hunne Hoogheden de audientien, zo op de Consistorie, als beneden in de Kerk wierden gegeven: zijnde gem. Musijcq gecomponeert geweest volgens de Memorie hier agter gevoegt. De audientien afgelopen zijnde, is het Musieck wederom hervat, en daar mede eenigen tijd aange-houden, ter tijd Hoogstdezelven uit de Kerk zijn gegaan.

Het 'muziek' (orkest) bestond uit drie eerste en drie tweede violen, twee waldhoorns, twee traverso's, twee alten en twee celli; Nicolai bespeelde het orgel. Onder de musici treffen we bekende namen aan, zoals Seidel (Zeijdel) sr. en jr. uit Vollenhove, Regenspurg uit Deventer en de Zwolse sollicitanten van twee jaar daarvoor, Voorthuis (met zoon) en Cremer." Maar liefst vier leden waren uit Kampen overgekomen, zodat hier met recht gesproken kan worden van het eerste 'Overijssels orkest'. Zelfs het toegangsbiljet, dat geïnteresseerde burgers konden kopen, is bij het protocol ingeplakt. Helaas wordt niet vermeld, welke muziek er die dag in de Grote Kerk heeft geklonken.

De meeste muzikanten waren in die tijd gevorderde amateurs. Zwolle was evenals andere steden een 'collegium musicum' rijk, dat in 1684 met steun van de stad was (her)opgericht en dat wekelijks in het Refter musiceerde. Gedurende het laatste kwart van de achttiende eeuw traden dergelijke kamermuziekensembles steeds meer in de openbaarheid; in Zwolle kennelijk met zo'n succes, dat daar in 1792 een 'Nieuwe Concertzaal' in de Bloemendalstraat werd gebouwd. Uit de aankondigingen in de Zwolsche Courant komt een gevarieerd programma-aanbod naar voren: zangrecitals, militaire harmoniemuziek, operettes, instrumentale solisten en koormuziek.

In het voorjaar van 1796 leidde de stadsmuziekmeester onder meer een uitvoering van zijn eigen opera 'De Geboorte Dag' en een 'Musicale Sledevaart,zijnde een simphonie die met Slede Schellen geaccompagneerd zal worden'. In dit laatste werk herkennen we de 'Musikalische Schlittenfahrt' van Leopold Mozart. Uit de bij zijn dood opgemaakte boedelinventaris weten we dat Nicolai ook een exemplaar van Haydn's 'Schöpfung' bezat, waarschijnlijk in de Nederlandse vertaling van J. Klinker, die in 1801 met groot succes in Amsterdam was uitgevoerd. Pas twee jaar nadien slaagde Nicolai's Kamper collega Cornelis Berghuijs er in, om ook in Zwolle Haydn’s meesterwerk tot klinken te brengen.

Een bijzonder concert vond plaats op woensdag 1 april 1801, 's avonds om 6 uur: 'waarin verscheidene der nieuwste Aria's en Duo’s zullen geëxecuteerd worden; waar by nog een geheel nieuw door hem zelven (Nicolai) uitegevonden INSTRUMENT, de HARMONIE genoemd, zal gehoord, en geduurende de tusschenpozing, gezien mogen worden'. Dit nieuwe instrument wordt in de krant als volgt omschreven: '(Het) bestaat in de form van een Staartstuk, met Fiool Snaaren betrokken, en waaraan van onderen een Rad is aangebragt, welke met een Stijkstok van 6 en een half El lang onder de Snaaren leidt en een binnenwerk met de Clauwieren vereenigd zynde de Snaren op de Strijkstok trekt, en de Toonen voortbrengt'.

Composities

De zoëven genoemde opera (in de oorspronkelijke Duitse druk wordt gesproken van 'Operette') is niet de enige compositie die we van Nicolai kennen. Zijn oeuvre-catalogus vermeldt zeven opusnummers met kamermuziek, terwijl in de collectie van het Haags Gemeentemuseum een pianopartij bewaard wordt van zijn opus 12, 'Six sonates pour les dames'. Deze werden omstreeks 1785 in eigen beheer uitgegeven. Hetzelfde geschiedde met Nicolai's pianomethode, het 'A.B.C, pour Ie clavecin ou forte piano' (1789) en het vervolgdeel, 'XXIV Sonates pour Ie clavecin sur les 24 tons de la musique' (1790). De Toonkunst-Bibliotheek in Amsterdam bewaart niet alleen de unieke Zwolse druk van het eerste deel, maar tevens de autograaf van de 24 sonates.

Deze zijn nog sterk clavecinistisch geschreven. Ook al was de fortepiano in opkomst en werd Nicolai zelfs in 1792 aangesteld tot commissionair van de gebroeders M. en P. Meijer, pianobouwers te Amsterdam, het zou nog tot na 1800 duren voor het nieuwe instrument zijn zegetocht begon. De methode moet echter populair geweest zijn. De Friese organist en muziekhandelaar P. Frank prees in 1803 per advertentie deze boeken aan. Eerder onderkende de Zwolse drukker en uitgever Tijl de waarde ervan en adverteerde met de leus: 'het zeer beroemd ABC Boek voor het clavier van wylen J. G. Nicolai'.

In de Leeuwarder Courant van 6 maart 1812 kan men lezen dat het publiek te Amsterdam en elders een kerstcantate van Nicolai met enthousiasme ontving: 'De organist P. Frank zal, met de vereischte approbatie, op vrijdag den 20 maart 1812, des avonds ten half zes uren, in de groote kerk te Leeuwarden, geadsisteerd door een zeer aanzienlijk gezelschap toonkunstenaren en beoefenaren der vokaal en instrumentaal muzyk, executeren de beroemde en te Amsterdam en elders met ongemeene toejuiching uitgevoerde Cantate, op de geboorte van den Zaligmaker, in muzijk gebragt door den vermaarden componist J.G. Nicolai. Zullende de zang, door het orgel, en door een welbezet en uitgezocht orchest, onder directie van den orchestmeester des Communes, verzeld, en voorts, door gepaste op het orgel uit te voeren stukken, voorafgegaan en afgewisseld worden'. Identificatie van deze kerstcantate stuit op problemen. We kennen hem niet uit andere bron. Dat 'onze' Nicolai de componist is, en niet een van zijnvele naamgenoten, lijkt echter aannemelijk: Frank heeft zijn collega blijkens zijn bovengenoemde aanprijzing uit 1803 goed gekend..

Andere onzekere of onvolledige vermeldingen betreffen een opera in 1779, 'zeker musikaal stuk' in 1786 en de muziek bij de cantate 'Het Onweder' van Rhijnvis Feith (1785 of later), waarvoor Nicolai's opvolger J.C. Röhner in 1806 overigens een nieuwe versie schreef. De composities van Nicolai worden tegenwoordig zelden uitgevoerd. Meestal kost het veel speurwerk om vergeten meesters onder het stof der eeuwen vandaan te halen.

Karaktertrekken

Nicolai wordt als musicus omschreven als 'verdienstelijk', 'kundig' en zelfs als 'vermaard'. Hij moet echter niet in alle opzichten gemakkelijk zijn geweest, getuige de wrijvingen die er vooral in latere jaren met het kerkbestuur en de stedelijke overheid ontstonden. Nu lagen botsingen tussen de steile regentenmentaliteit en het opkomende 'vrije' kunstenaarschap in deze tijd zeer voor de hand: Nicolai's collegae Böhler sr. in Deventer en Berghuijs in Kampen zouden dat eveneens aan den lijve ondervinden.

Grote consternatie ontstond naar aanleiding van het inspectierapport van de orgelmakers A. Wolffers en G.T. Batz in 1790. Hun kritiek op de toestand van het orgel was niet gering, al gaven zij toe: 'Voor 't overige vinden wij alles in goeden order, en moeten bekennen, dat het Orgel over 't algemeen, net en wel bewerkt is; en dus aan ons den Roem van beijde Makers bevestigt. Jammer dat het selve niet beeter onderhouden is.' Vooral over dat laatste was Nicolai des duivels. Hij schreef een verweerschrift van twintig kantjes om de bewering als zou hij het instrument hebben verwaarloosd te weerleggen. Er waren verschillende mankementen, die geweten moesten worden aan constructiefouten. Hij beriep zich daarbij mede op de Groninger firma Schnitger & Freytag, die een contraexpertise had uitgevoerd.

Andere zaken zoals de lekken in de blaasbalgen, achtte hij van ondergeschikt belang. Daags voor de inspectie had hij nog gestemd, maar als er intussen weer op gespeeld was kon er natuurlijk weer sprake zijn geweest van ontstemming. Al stemt men een jaar lang van de ochtend tot de avond, aldus Nicolai, dan nog krijgt men 4500 pijpen nooit echt 'egaal'. Hijzelf heeft steeds de nodige reparaties verricht. Wie zou het orgel beter kennen dan hij, die er al vijftien jaar op had gespeeld? Was er soms iemand op uit om hem zwart te maken? Deze tirade miste zijn uitwerking niet. Het stadsbestuur haastte zich de organist van alle blaam te zuiveren. Vermoedelijk had het zelf de meeste boter op het hoofd, want om kosten uit te sparen was een regelmatige controle van het orgel jarenlang uitgebleven. Nicolai had het hoogstens kunnen bijhouden, maar hij was natuurlijk geen orgelbouwer. Het feit dat de reparatie naar de aanwijzingen van Schnitger & Freytag geschiedde en deze firma vervolgens weer met het onderhoud werd belast, zegt voldoende.

Vier jaar later was het op een andere manier mis. Op woensdag 5 februari 1794 had Nicolai na het psalmzingen tijdelijk de kerk verlaten om les te geven. De dienstdoende predikant preekte die avond heel kort met het gevolg dat bij de aanvang van de volgende psalm de organist niet op zijn post was. De voorzanger zette in en eerst bij de derde regel keerde de organist terug op de orgelbank en liet het orgel zich horen. Predikant en gemeente ergerden zich 'luttel', maar de heren magistraten namen dit niet en ontboden Nicolai voor een berisping. Bovendien veroordeelden zij hem tot een boete van vijf goudguldens omdat hij 'in zijn functie heeft gemankeerd en tevens heeft overtreden de publicatie, waarbij het houden van een bedestond is geordonneerd'.

Een overwegend komische anekdote wordt bij Van Apeldoorn gememoreerd: 'Deze organist was een hartstochtelijk rooker; zóó zelfs dat hij niet laten kon op het orgel te rooken, waardoor somtijds zware rookwolken van daar in het kerkruim opstegen. Een vermaning, welke hem die gewoonte van den Magistraat op den hals haalde, lokte het minder beleefd antwoord uit: 'Wenn ich nicht rauchen darf, so spiel ich auch nicht mehr.'

Over Nicolai's contacten met collegae in Zwolle en daarbuiten weten we betrekkelijk weinig. Of het 'Overijssels orkest' uit 1777 zich nog op andere plaatsen heeft laten horen is niet bekend. Wel is hij in zijn beginperiode nog enkele malen met verlof geweest om concerten te geven in zijn land van herkomst. Zo bezocht hij Munster in 1779 en Bergen bij Dorsten aan de Lippe in 1786.

Als orgeladviseur wordt de naam van Nicolai in verband gebracht met het Hinszorgel in de Bovenkerk te Kampen. Op 16 juli 1789 behoorde hij tot de deskundigen die de uitbreiding van het orgel keurden. F.C. Schnitger jr. en H.H. Freytag hadden het instrument van een vrij pedaal voorzien.

Nicolai's metgezel was niemand minder dan Nicolaas Arnoldi Knock, grietman over Oost-Stellingwerf, gecommitteerde van de Friese landdag, maar vooral de auteur van een bekende en veel geraadpleegde dispositieverzameling. Eerder hadden beide deskundigen het reparatiewerk van Schnitger en Freytag aan Nicolai's eigen orgel geïnspecteerd en in orde bevonden. Het lijkt erop dat de heren elkaar mede om die reden in het conflict van 1790 steunden.

Nicolais overlijden

Na een kortstondige ziekte overleed Nicolai op 1 juli 1801 in zijn woonplaats Zwolle. Zijn verscheiden werd in de krant van 4 juli aldus bekendgemaakt:

'Heden middag stierf in den ouderdom van 58 Jaaren J.G. NICOLAI, in leven Organist van de Groote of Michaëli Kerk binnen deze stad, na eene bedlegering van drie dagen'. Zwolle den 1 July 1801. A. ERDSIECK q.q. De begrafenis volgde op 4 juli 's avonds om 11 uur in de Bethlehemse Kerk. Voor het luiden van klokken staat in het begraafboek ƒ 2,- en 16 stuivers genoteerd.

In de krant van 15 juli verscheen het volgende bericht: 'Alle de geenen welke iets te pretenderen hebben of verschuldigd zijn aan den boedel van wylen JOHAN GODLIEB NICOLAI, in leven Organist en Stads Musicus te Zwolle, worden verzogt daar van ten spoedigsten immer voor den 1 September aanstaande, schriftelyk opgaaf te doen aan den Ondergetekende woonagtig in de Sassenstraat al daar, zullende na dien tijd geene pretensien meer worden aangenoomen. ARNOLDUS ERDSIECK q.q.'

Er zijn geen aanwijzingen dat Nicolai gehuwd was en kinderen naliet. Wellicht vormt dit een verklaring voor het feit dat al spoedig na zijn dood zijn bezittingen geveild werden. Niet alleen diverse instrumenten maar ook persoonlijke sieraden en kleding werden te koop aangeboden. In zijn nalatenschap trof men violen, cieters en forte piano's aan. Nicolai beschikte thuis dus niet over een studie-orgel of een clavecimbel. Van belang is voorts dat onder meer muziek van het oratorium 'De Schepping' van Haydn en de resterende exemplaren van de hierboven genoemde uitgave, de zogenoemde A.B.C, boeken, compleet met bijbehorende koperen drukplaten, publiekelijk werden verkocht. De plaatselijke boekhandelaar en drukker Tyl kocht de resterende 35 exemplaren van het A.B.C. Boek èn de koperen platen.

Zakelijk inzicht kan men Tyl niet ontzeggen, want op 15 augustus 1801 maakte Tyl per advertentie bekend dat hij de opgekochte exemplaren van het A.B.C, boek tijdelijk voor ƒ 6,- in plaats van ƒ 9,- per stuk kon aanbieden 'hoewel de waarde van dit werk nu door het overlyden van den kundigen NICOLAI gewis veel groter is geworden'.

Op 15 juli 1801 verscheen een oproep van de Municipaliteit (stadsbestuur) waarin kandidaten verzocht werd te solliciteren op de vacature van stadsmusicus. Het jaarlijks traktement zou ƒ 450,- bedragen. Op 8 en 12 augustus 1801 werd de advertentie herhaald. Als Nicolai's opvolger zou tenslotte Johann Carel Röhner worden benoemd.

*Dit artikel, van de hand van H.C.J. Wullink en F.D. Zeiler, is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift (het orgaan van de Zwolse Historische Vereniging) 1992, nr. 4

Reacties