Verhaal

Het Zwolse glazenmakersgilde in 1807

Auteur: 
Wim Huijsmans, Otto Schutte, Jean Streng

Aan het schilderij van Adrianus Hulsbergen (1755-1827) waarop hij de leden, zichzelf incluis, van het Zwolse glazenmakersgilde vastlegde, is reeds in diverse publicaties aandacht besteed. Terecht, want het is een bijzonder schilderij. Het is het enige groepsportret van Zwolse middenstanders. De aanleiding was ook bijzonder: het herstel van de gilden in 1807 nadat ze in 1798 waren opgeheven. In de praktijk hadden de gilden in afwachting van nadere wetgeving trouwens een sluimerend bestaan geleid. De heroprichting was te danken aan de hier uit Frankrijk gedropte koning Lodewijk Napoleon, die het overigens goed met dit voor hem vreemde land en zijn bewoners voor had.

De gilden in het hele land waren over het herstel van hun organisaties zeer te spreken, al waren er in de nieuwe reglementen beperkingen opgenomen die voorheen niet golden. Met groot enthousiasme vatte men overal de onderbroken continuïteit weer op. Het glazenmakersgilde vond het herstel belangwekkend genoeg om het in een collectief (zelf)portret vast te leggen. De gildeleden keken daarbij niet op een vierkante centimeter: het schilderij meet liefst 180 bij 235 centimeter.

De geportretteerden zitten of staan rond een tafel met paperassen en ieder draagt een zelfde deftige hoge hoed. Sommigen roken een lange pijp. Alleen de knecht is zonder hoed, want waar zou het  zonder sociaal onderscheid met de wereld heengaan? Duidelijke hoofdletters die het belangrijke momentum eens benadrukken, bejubelen het heugelijke feit:

GLAZEMAKERS GILD HERBOREN

DAT VERNIETIGD WAS TE VOREN

WEER HERSTELD IN ZYN GEHEEL

ADRIEANUS KUNST PENSEEL

SCHILDERT ACHTIENHONDERDZEVEN

DEZE LEDEN NAAR HET LEVEN

DIE ZOO ALS MEN EERTYDS PLAG

NU WEER HOUDEN GILDEDAG

Nieuw licht

Maar dit is allemaal bekend, waarom dit schilderij dan toch opnieuw tot onderwerp van een beschouwing gemaakt? Nader genealogisch onderzoek door Otto Schutte bracht meer over de afgebeelde leden van het gilde aan het licht. Wim Huijsmans bekeek het schilderij kritisch en wist een niet-afgebeeld of beter gezegd weggemoffeld gildelid te identificeren. Bovendien is inmiddels bekend dat Adrianus Hulsbergen een stiefbroer had die ook kunstschilder was, en wel in Friesland. Deze Christoffel Frederik Franck werd te Zwolle op 4 mei 1755 in de Lutherse kerk gedoopt. Hij was de zoon van Christiaan Franck (Vrancke) en Hendrika van Doesburg. Hendrika hertrouwde in 1772 met de weduwnaar en timmerman Lambertus Hulsbergen, de vader van Adrianus. Na de dood van Christoffel in 1821 werd Adrianus de enige erfgenaam van zijn nalatenschap. Adrianus ontving schilderijen, tekeningen, prenten, een schildersezel, een lessenaar, teken- en schildermateriaal, een tabaksdoos, een dwarsfluit, een paar zilveren broeksgespen en wat kleding.

De schilderijen betroffen afbeeldingen met landschappen, portretten, een boerenkermis, een heremiet, de verrijzenis van Christus, een Maria en een armoedig gezin. Wat Adrianus met de schilderijen heeft gedaan is onduidelijk, vermoedelijk heeft hij ze te Zwolle verkocht.

De gildeleden

Op het schilderij van Hulsbergen staan de volgende personen afgebeeld:

1. Johannes van Otten werd op 24 september 1747 in Zwolle gedoopt. Hij trouwde in Zwolle op 7 juni 1773 met Jantje Stolte en op 6 mei 1819 wederom in Zwolle met Aartje Nouland. Johannes stierf in Zwolle op 1 juni 1832. Hij was verver en glazenmakersbaas.

2. De rooms-katholieke Nicolaus ter Meulen werd op 29 november 1740 in de statie van de Koestraat gedoopt. Hij was de zoon van de molenaar Johannes ter Meulen en Johanna Kops. Nicolaus huwde twee maal in Zwolle. De eerste keer op 20 mei 1776 met Johanna Paschala Tidink en opnieuw op 8 februari 1795 met Anna Maria van Berkum. Zijn beroep was verver, glazenmakersbaas en schilder. Nicolaus stierf op 21 juni 1816 in Zwolle.

3. Op 27 september 1767 lieten de kleermaker Arent Voskuil en zijn vrouw Lamberta Pasman in de Grote Kerk hun zoontje Klaas dopen. Deze Klaas zou als verversknecht beginnen om als verver, glazenmaker en schilder zijn loopbaan te vervolgen. Klaas maakte ook aquarellen; in het Stedelijk Museum Zwolle wordt er een bewaard. Op 23 november 1789 huwde Klaas in Zwolle met Johanna Weemhof. Hij stierf in zijn geboorteplaats op 28 juli 1842.

4. Jan, de zoon die de schilder Klaas Bouwmeester en zijn vrouw Arentien van Arriën op 16 september 1756 lieten dopen, zou hetzelfde vak als zijn vader kiezen. Jan verdiende gedurende zijn leven de kost als verver en glazenmakersbaas. Op 8 augustus 1791 huwde hij in de Bethlehemse kerk met Anna Gesiena van Engelen. Op 28 september 1813 stierf Jan in Zwolle.

5. Matthijs Hoefman werd op 30 mei 1765 in de Grote Kerk gedoopt. Hij was de zoon van Jan Hoefman en Willemina Stuul. Bij zijn huwelijk in de Bethlehemse kerk met Jacoba Erdtsiek op 17 mei 1790 was hij nog verversknecht. Spoedig daarna werd hij verver en glazenmakersbaas. Hij stierf in Zwolle op 1 april 1821.

6. Het bekendste personage in dit groepsportret is de reeds vaker genoemde Adrianus Hulsbergen, de maker van dit schilderij. Hij werd in Nijmegen gedoopt op 30 maart 1755 als zoon van de timmerman Lambertus Hulsbergen en Berendina van der Linde. Adrianus was aanvankelijk als fijnschilder en meesterschilder lid van het schildersgilde, maar na een verzoek aan de magistraat mocht hij zich inschrijven in het glazenmakersgilde. Hij meende als verver en glazenmakersbaas beter voor zijn huishouding te kunnen zorgen. Adrianus huwde driemaal. De eerste keer op 8 april 1776 in Zwolle met linnennaaister Ida Bouwman. De tweede maal in het afgelegen Koekange op 6 november 1791 met de dienstmeid Hendrikje ten Oever of Oeven. Tenslotte huwde hij in Zwolle op 16 oktober 1817 met de veel jongere Gesina Platel. Zij was in 1788 als dochter van de looiersknecht Simon Platel en Antonia Nieuwmeijer geboren. Adrianus stierf op 31 mei 1827 als aanspreker. Gesina overleefde haar man bijna vijftig jaar, zij stierf in 1875.

7. Te Zwolle lieten Hendrik Jan Vernhout en Rebekka van den Berg op 28 september 1749 hun zoon Johannes dopen. Zijn leven lang was hij verver en glazenmakersbaas. In Wezel huwde hij op 19 augustus 1781 met Geertruid Anthonetta Rochel. Johannes stierf op 31 mei 1813 in Zwolle.

8. Antonij, de bierdrager met de deftige achternaam Parkementis liet op 29 mei 1768 zijn zoon Leendert in de Broerenkerk dopen. Hij was volgens het doopregister getrouwd met Jacoba van Uunen, vermoedelijk een verschrijving want ze komt als Jacoba van Neuringen in andere bronnen voor. Leendert verdiende overigens niet met het bewerken van lamsvellen zijn brood, maar als schilder en glazenmaker. In de Grote Kerk huwde hij op 11 mei 1794 met Zwaantje Hassink. Leendert stierf in Zwolle op 15 mei 1837. Hij was toen de echtgenoot van Johanna Gesina Weenink.

9. Op 21 juni 1806 werd Evert Veenhuizen kleinburger van Zwolle. Hij was op 28 april 1776 in Wijhe geboren als zoon van de schilder Jan Veenhuizen en Angenis Voerman. In Zwolle zette Evert het beroep van zijn vader voort. In dezelfde stad huwde Evert op 25 mei 1806 met Petronella Broekhuizen en stierf hij op 13 december 1849.

Weggemoffeld

Wanneer je het schilderij van het glazenmakersgilde bekijkt, lijkt het net of er een persoon is verwijderd. Een restant van zijn hoge zwarte hoed is nog zichtbaar, en het is duidelijk dat de aanwezigheid van een persoon op juist die plek het totaalbeeld evenwichtiger zou maken.

Wat zou de reden kunnen zijn? Wie was dit weggemoffelde gildelid? De meest voor de hand liggende verklaring zou kunnen zijn het overlijden van een glazenmaker op het moment dat Adrianus aan het schilderij werkte. Deze glazenmaker zou dan in 1807 gestorven moeten zijn, omdat het schilderij in dat jaar voltooid werd. Een archiefstuk met een opgave van de glazenmakers en ververs uit het begin van de negentiende eeuw is helaas niet bewaard gebleven. Onderzoek in de begraafboeken had uitsluitsel kunnen geven, maar leverde jammer genoeg niets op omdat het beroep niet altijd vermeld werd. Dankzij het kaartsysteem van het voormalige Gemeentearchief Zwolle (inmiddels opgegaan in het HCO) was het toch mogelijk verder te zoeken. Dat kon door in de rubriek 'hoedanigheden' de fiches met 'glazenmaker' en 'verver' door te nemen. Van hen zou er een voor december 1807 overleden moeten zijn om in aanmerking te komen. Uit de periode rond 1800 leverde dat een dertigtal namen van glazenmakers en ververs op. Een van deze dertig personen zou dus in 1807 overleden moeten zijn. Inderdaad was er in september 1807 ene Peter van Santen overleden. Hij was 34 jaar oud en woonde in de Smeden, zonder vermelding van zijn beroep. Met grote waarschijnlijkheid is hij de op het schilderij weggemoffelde persoon. De opdrachtgevers wensten blijkbaar dat bij het herstel van de gilden alleen de levende gildeleden op het schilderij werden afgebeeld.

Peter van Santen werd op 11 juni 1773 katholiek gedoopt in de statie in het Hoornsteegje als Petrus, zoon van Jacob van Santen en Maria Fortuin. Hij trouwde op 15 mei 1799 in Zwolle met Hendrica Tentman, die op 29 mei 1805 overleed en in de Broerenkerk werd begraven. Uit dit zesjarig huwelijk ontsproten geen kinderen. Op 28 juli 1806 werd aan Peter - evenals aan de andere afgebeelde personen - patent verleend om het beroep van verver en glazenmaker uit te oefenen. Als baas of meester betaalde hij daarvoor vier gulden. De glazen makersknechten en verversknechten waren voor dit patent een gulden kwijt. Slechts korte tijd heeft hij van dit recht kunnen genieten. Hij overleed op 4 september 1807 en werd vier dagen later 's avonds om 10 uur in de Broerenkerk bij zijn vrouw begraven. Voor het luiden van de klokken betaalden zijn erfgenamen twee gulden en 16 stuivers, waaruit een zekere gegoedheid valt af te leiden.

Dit artikel is eerder verschenen in het Zwols Historisch Tijdschrift nr. 1 – 2002. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Reacties

afbeelding van D. Ch. Brandt
Opvallend op het schilderij zijn de hele kleine pijpenkopjes. Ik heb een boek (van ene mijnheer Goedewaagen uit Gouda, uit de jaren 40; maar ik kan het nu even niet vinden), dat daar over gaat. De verklaring is dat in de tijd dat de tabak nogal duur was, de pijpenkoppen erg klein waren. (Als kind (in de jaren 40) gebruikte ik die stenen Goedewaagen-pijpen met korte steel en grote kop om bellen te blazen.) HGR, Dirk Brandt