Verhaal

De Zwolse tuinbouw en veiling

Auteur: 
A.J. Iemenschot en Menno van der Laan

Misschien waren er onder de aanwezigen wel enkelen die niet zo geloofden in een glansrijke toekomst voor de tuinbouw in en rond Zwolle. Toch werd op 11 februari 1958 het nieuwe veilinggebouw van de Coöperatieve Groente- en Fruitveiling 'Zwolle en Omstreken' feestelijk geopend.  

Tegelijk werd de 50-ste verjaardag van de coöperatie gevierd. De opening ging gepaard met de gebruikelijke grote woorden, uitgesproken door hoogwaardigheidsbekleders. De commissaris van de koningin in Overijssel, ir. J.B. ridder de van der Schueren schetste de betekenis van een krachtig veilingwezen voor de tuinbouw in de provincie. Burgemeester Slager van Zwollerkerspel, waar de veiling aan de Kranenburgweg stond, beloofde er alles aan te doen de vestigingsmogelijkheden voor tuinders in zijn gemeente te verbeteren.

Maar de burgemeester van Zwolle, jhr.mr. G.A. Strick van Linschoten, reageerde nogal laconiek op het verdwijnen van de veiling uit de gemeente Zwolle. Hij koesterde geen wrok, zoals hij in zijn toespraak tijdens de receptie zei. In Zwolle was er op korte termijn geen geschikte locatie voor nieuwbouw te vinden, dus moest Zwolle de veiling maar laten gaan. Tuinbouw in de gemeente Zwolle had in de visie van Strick geen grote toekomst. De stad moest uitbreiden en had alle grond nodig die er was. Stiekem werd zelfs gedacht aan annexatie van de buurgemeente, waar nu net de groente- en fruitveiling naartoe was verplaatst.

Tuinders vóór de oorlog

De tuinbouw rond Zwolle stelde in landelijk perspectief niet veel voor, maar was wel van direct belang voor de regio. De groenteboeren uit de stad en het omliggend gebied betrokken hun groente op de Zwolse veiling. De grootste klant van de veiling was Twente en komkommers uit het tuinbouwgebied in Noordwest-Overijssel gingen via de veiling in Hoogezand-Sappemeer naar Noordwest-Duitsland. En men vermoedde enige groei, omdat Overijssel door haar ligging tussen de Nederlandse kust en het economisch belangrijke Noord-Duitsland een schakelfunctie zou kunnen uitoefenen.

Vlak vóór de Tweede Wereldoorlog was de tuinbouw rond Zwolle geconcentreerd in pakweg drie gebieden. Ten noordoosten van de Herenweg, in Dieze en langs de Assendorperlure en Schellerweg waren veel tuinbouwbedrijven te vinden. Maar ook elders in de gemeente Zwolle kwamen tuinbouwbedrijven voor. Binnen de gemeente werd in 1937 zo'n 87 hectare grond gebruikt voor tuinbouw. Dat was een  verdubbeling met de situatie in 1912. In Zwollerskerspel was de groei nog spectaculairder: van 45,5 hectare naar 139 hectare. Die groei had vooral in de jaren kort voor 1937 plaatsgevonden, mede door spoorwegarbeiders die met glasbouw waren begonnen. De bedrijven in Zwolle waren kleiner dan die in Zwollerkerspel. De grond was in de gemeente Zwolle schaarser en ook al in de vooroorlogse jaren was er een verschuiving van de tuinbouw in de richting van de buurgemeente.

Maar wat stelde die tuinbouw nu eigenlijk voor? De tuinbouw legde in Zwolle slechts beslag op zo'n 6% van de cultuurgrond. Weilanden besloegen het grootste gedeelte, ruim 90%. In Zwollerkerspel was het belang van de tuinbouw wat grondgebruik betreft, nog kleiner. Slechts 0,34% van de cultuurgrond werd door tuinbouwers bewerkt. Meer dan 92% was weiland. Tussen de akkers en weilanden vond je de tuinbouw dus nauwelijks terug.

Economisch gezien was het belang van de tuinbouw groter. De tuinders haalden in ieder geval meer rendement uit een hectare grond. Prof. L. Van Vuuren heeft het in 1939 voor de gemeente Zwolle precies uitgerekend. Een landbouwer haalde bruto ƒ 227 uit een hectare, een tuinder ƒ 4520.

De kosten lagen in de tuinbouw wel veel hoger, maar het nettorendement bleef vele malen beter dan in de akkerbouw. Van Vuuren vond dan ook, dat het tuinbouwbedrijf 'een grote productieve kracht' vertegenwoordigde.

De veiling

Alle kropjes sla, andijvie en worteltjes werden verhandeld via de Coöperatieve Groente- en Fruitveiling, die van 1929 tot 1958 gevestigd was langs het spoor bij de Deventerstraatweg. De veiling was één van de acht veilingen in Overijssel en behoorde met die van Deventer en IJsselmuiden tot de grootste van de provincie. De totale omzet in 1937 bedroeg 230.000 gulden en vergeleken met andere veilingen in het land was dat niet veel.

De coöperatieve veiling was in februari 1908 opgericht met het doel de afzet van tuinbouwproducten te regelen en de aankoop van mest en zaaigoed gezamenlijk te doen. Twaalf tuinders uit Zwolle en Zwollerkerspel namen het initiatief. Onder hen waren G. Esselink, D. Timmerman, ]. van Dijk en Elfrink. Deze vier waren vijftig jaar later weer van de partij bij de opening van de nieuwe veiling in Zwollerkerspel.

De veiling was een coöperatie waarvan de tuinders lid konden worden. Er was ook een bestuur, dat voor de dagelijkse leiding een directeur aanstelde.

De producten werden op deze veiling verkocht volgens het systeem van afslag. Daarbij begint de voorgestelde verkoopprijs hoog, om vervolgens te gaan dalen. Wie 'mijn' roept, is de koper tegen de prijs die dan geldt. Het afslaan ging eerst met de mond, later werd de bekende veilingklok gebruikt.

De eerste veilingen werden gehouden in café Muthert op het Rodetorenplein. Geen slechte locatie, omdat daar ook het bodeterrein gevestigd was. Later verhuisde de veiling naar het gebouw van de voormalige touwslagerij op de hoek van de Van Karnebeekstraat en de Zuiderkerkstraat. Het aantal tuinders dat bij de coöperatie was aangesloten, was in de jaren twintig gestegen tot ongeveer 220.

In oktober 1929 werd de veiling verplaatst naar de Deventerstraatweg, waar een herenhuis werd gekocht en ingericht tot kantoor. Verder was er een zogeheten 'afmijnzaal' met een tribune voor de kopers. De tuinders reden met hun karren voor de tribune langs om hun producten te laten zien. Als de koop was gesloten, reed men naar de loodsen om de waren bij de groenteboeren af te leveren.

De locatie aan de Deventerstraatweg was speciaal gekozen vanwege de ligging aan het spoor, wat een goede afvoer garandeerde. Toch werd daar niet altijd gebruik van gemaakt. Vrachtauto's namen een steeds groter deel van het goederenvervoer op zich. Verder brachten de telers uit Dedemsvaart van oudsher hun groenten met de Dedemsvaartsche Stoomtram, die het eindstation aan de Meppelerstraatweg had. Vandaar was het dan lopen naar de andere kant van de stad.

Voor dag en dauw

De meeste tuinbouwbedrijven waren in die jaren twintig klein; vaak niet groter dan een halve hectare. De grond werd meestal gepacht, zodat eerst de pacht moest worden terugverdiend, voordat aan brood op tafel kon worden gedacht. Knechten had men niet; het hele gezin werkte mee, vader, moeder en kinderen. Het socialistisch dagblad Het Volk besteedde in 1921 een groot artikel aan de zware bedrijfsomstandigheden van de Zwolse tuinder. De arbeidsdag was vreselijk lang en volgde de zon. De mannen gingen een half uur voor zonsopgang naar het land en keerden een halfuur na zonsondergang terug naar huis. 's Zomers werden zo dagen gemaakt van wel achttien uur. Het werk was zwaar, want ook in februari moest er in de gure wind worden gewerkt. Dan moesten bijvoorbeeld de slaplantjes worden verpoot. De vrouwen werkten volop mee. Het huishouden kwam op de tweede plaats. In de winter werden zoveel mogelijk kleren genaaid en versteld, want in de zomer was daar geen tijd voor. Kinderen werden, althans volgens het verslag in Het Volk, soms dagen niet gewassen en weken niet verschoond. Zwangere vrouwen moesten mee naar het land totdat ze letterlijk op de laatste dagen liepen. De verslaggever van Het Volk had daar zelf een jammerlijk voorbeeld van gezien. In november had hij een tuinder en diens vrouw getroffen op de akker, bezig met het aan bossen binden van laat gezaaide wortels. Tegen de regen hadden ze zich enigszins beschermd met zakken. De vrouw was hoogzwanger. Toen de verslaggever vroeg waarom zij in die toestand nog over de koude grond kroop, antwoordde de tuinder: 'We moeten de pacht toch betalen...' Het was en is een bestaan van hard werken en vroeg opstaan.

Het waren ook de vrouwen die naar de groenteveiling aan de Van Karnebeekstraat gingen. Voor dag en dauw begon daar de veiling. Soms kwam het voor dat vrouwen in de stromende regen uren buiten moesten wachten op hun beurt. Kinderen werden eveneens op het bedrijf ingeschakeld. Vanaf hun tiende levensjaar moesten ze meehelpen. Schoolverzuim kwam regelmatig voor.

Toch waren die jaren twintig nog niet eens zulke slechte jaren voor de tuinbouw. De omzet van de veiling steeg in ieder geval gestaag tot 1929. Daarna daalde de omzet als gevolg van de economische crisis. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was de omzet in geld een kwart lager dan in 1928, maar de aanvoer was wel toegenomen. De voedselvoorziening tijdens de oorlog vormt een verhaal apart.

Na de oorlog

Na de oorlog ging het bergopwaarts met de groenteveiling in Zwolle. Het aantal leden steeg in de jaren vijftig tot ongeveer 400 en de omzet vertienvoudigde tot bijna drie miljoen gulden. De tuinders gingen langzamerhand over van plat glas op echte kassen, die warm werden gestookt met kolenkachels.

Tuinder Bartels liet midden jaren vijftig aan de Assendorperlure nog een heel nieuw complex van die zogenoemde 'warenhuizen' verrijzen. En tuinbouwer J. Esselink van de Herenweg had zelfs kassen met het nieuwe 'rolbak-systeem' waarmee het dak open- en dichtgeschoven kon worden. De tuinders kregen echter last van het gebrek aan grond binnen de gemeente Zwolle. Iedereen zag het eigenlijk wel aankomen. Zwolle wilde uitbreiden en woningen bouwen en daarvoor had de stad meer grond nodig. De groenteveiling, de gemeente Zwollerkerspel en de gemeente Zwolle richtten daarom in het midden van de jaren vijftig de Stichting Tuinbouw Zwolle-Zwollerkerspel op.

Deze stichting moest landbouwgronden opkopen, verkavelen en vervolgens verkopen aan tuinders. Het belang voor Zwolle lag erin dat de gemeente zo zonder morren een aantal tuinders kon bewegen naar buurgemeenten te verhuizen. Sommige tuinders stichtten grotere bedrijven in Ittersum of Oldeneel. Velen kwamen verder van huis terecht, bijvoorbeeld in Heerde of Ankum bij Dalfsen.

Inmiddels was de veiling in 1956 ook uit de gemeente Zwolle verdwenen. De veiling moest uitbreiden, maar dat kon niet omdat het terrein aan de Deventerstraatweg te klein was. Bovendien werd het huurcontract door de eigenaar, de Nederlandse Spoorwegen, opgezegd.

Het resultaat was de feestelijke opening in februari 1958 van het nieuwe gebouw in Berkum, waarbij burgemeester Strick van Linschoten tijdens zijn felicitaties het veilingbestuur toevertrouwde 'geen wrok' te koesteren.

Het aantal van acht veilingen in Overijssel, verminderde in de loop der jaren. Uiteindelijk bleven er twee over, namelijk de veiling in IJsselmuiden en die in Berkum. In 1977 fuseerden beide bedrijven tot KZIJ (Kampen, Zwolle en IJsselmeerpolders). Vanaf 1981 wordt nog vanuit één gebouw in IJsselmuiden gehandeld. Die veiling had in 1987 weliswaar een omzet van 75 miljoen gulden, maar was landelijk gezien slechts een 'middenmoter.' In hetzelfde jaar werd bijvoorbeeld in Aalsmeer voor meer dan een miljard gulden via de klok verkocht.

Inmiddels hebben zich binnen het veilingwezen echter grote concentratieprocessen voltrokken, waarin ook KZIJ is meegegaan en behoort de veilingklok in het gehele land vrijwel tot het verleden.

*Dit artikel van A.J. Iemenschot en Menno van der Laan is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift 1997 nr. 4 van de Zwolse Historische Vereniging.

Reacties