Verhaal

De bewoningsgeschiedenis van Kamperstraat 10 in Zwolle

Auteur: 
J. Erdtsieck

De Kamperstraat is een zeer oude straat. Omstreeks 1400 was de straat al bekend onder de naam Voorsterstraat, als uitvalsstraat naar Voorst in de richting Kampen. De plaats van het huis dat nu onder nummer 10 bekend staat, zal ongetwijfeld na juli 1324 bebouwd zijn, want een grote brand in die tijd maakte dat er nauwelijks huizen gespaard werden. Daarna verrezen er heel wat stenen huizen. Hoewel het huis op nummer 10 een gevel heeft uit het midden van de achttiende eeuw, draagt het inwendige nog duidelijk sporen van het oorspronkelijke veertiende-eeuwse pand. De balkenconstructie dateert namelijk al uit de vroege vijftiende eeuw. Het huis komt sedert 1672 voor onder de naam De Toelast. Die benaming duidt op een bestemming als herberg. Toelast is een oude naam voor wijnvat.

E.H. ter Kuile beschreef het pand als volgt: Een voornaam woonhuis met lijstgevel ter breedte van vijf vensters. De voorgevel bevat in het midden een rijke zandstenen ingangspartij met balkon en decoratieve omvatting van de balkondeur. Boven de houten kroonlijst, die blijkens de magere detaillering eind achttiende eeuw moet zijn vernieuwd, gaat een barokke zandstenen attiek op met in het midden de alliantiewapens van Wolter Johan van Haersolte tot Oldenhof en Geertruit van Haersolte. Vanouds heeft het huis een smalle gang gehad achter het linkergedeelte van de monumentale voordeur. Deze gang en de brede kamers en-suite links daarvan hebben stucplafonds die min of meer in de trant van Daniël Marot zijn ontworpen.

De familie Van Haersolte

Op 21 januari 1735 ging het huis over van de erven Mensinck op Wolter Johan van Haersolte tot Oldenhof, Bijssel en Wolfshagen, drost van Vollenhove en van Salland (1691-1746). Deze liet het huis geheel (ver)bouwen en bevestigde zijn wapen en dat van zijn vrouw Geertruit van Haersolte (1692-1764) boven in de gevel. De achterzijde (de huidige Ossenmarkt) was reeds in 1687 voorzien van een stal, zoals meestal bij een herberg aan een uitvalsweg het geval was. De Kamperstraat was inmiddels een deftige straat geworden. Want de buurman, de eveneens adellijke Christiaan Albrecht graaf van Rechteren, liet er in 1747 een nog imposanter huis (ver)bouwen. Dit soort huizen dienden vaak als onderkomen voor de winter. De zomer brachten deze families meestal op hun landgoederen door. In dit geval was het waarschijnlijk het kasteel Haerst, dat verdwenen is.

Wolter Johan was een zoon van Volkier van Haersolte tot Oldenhove en Ida Elisabeth van Drienen. Zijn vader heeft hij nooit gekend, want die sneuvelde in dienst van Willem III tijdens de negenjarige oorlog tegen Frankrijk in 1691. In 1721 huwde Wolter Johan met Geertruit van Haersolte, dochter van Antony van Haersolte tot Eisen en Johanna van Haersolte tot Zwaluwenberg, Staverden en Bredenhorst.

Het was geen erg florissante tijd. De bloeiperiode had de Republiek van de Zeven Provinciën inmiddels achter de rug. In Overijssel was 25 procent van de inwoners verarmd. De kloof tussen zeer rijk (3 procent van de bevolking) en arm was erg groot, maar door malaises in de landbouw en de runderpest brachten de bezittingen van de adel ook minder op en men teerde duidelijk in. Van 1675 tot 1758 liep haar aandeel in het gezamenlijk vermogen van 41 procent tot 19 procent terug. Het bevolkingsoverschot zorgde echter voor goedkope werkkrachten, zodat men op ruime voet kon leven. En de belastingen verschoven van het vermogen naar de accijnzen. Een voordeel voor de adel, maar een nadeel voor de gewone man. Wolter Johan en Geertruit bleven dus in goede doen en werden respectievelijk in 1746 en 1764 in het koor van de Grote Kerk begraven, zoals het in die dagen voor rijke en aanzienlijke lieden passend was.  De familie Van Haersolte heeft het huis tot het begin van de negentiende eeuw bewoond. Dit wil echter niet zeggen, dat de bewoners steeds die naam droegen. Wolter Johan liet namelijk slechts drie dochters na. Het waren vaak aanverwanten en verre nazaten van deze zeer uitgebreide familie, die afwisselend het huis bewoonden. In 1766 en 1781 veranderde het huis van eigenaar.

H. van Sonsbeek

Op 2 oktober 1823 ging het van Coenraad Willem van Dedem tot Rollecate, de voormalige drost van Vollenhove, die het huis in 1791 had gekocht, over op mr. H. van Sonsbeek. Hij was geboren in 1796 en gehuwd met Margaretha E. Heerkens, afkomstig uit een aanzienlijk rooms-katholiek geslacht. Hij was een telg uit een Zwolse adellijke familie, die veel voor de wederopbouw van de katholieke kerk in de stad heeft gedaan. Van Sonsbeek studeerde rechten in Groningen en vestigde zich als advocaat in Zwolle. Hij werd in 1830 rechter en acht jaar later raadsheer bij het gerechtshof in de stad. In 1827 behoorde hij tot de oprichters van de Zwolse algemene bibliotheek.

Via de Raad van State werd hij in 1849 minister van Buitenlandse Zaken en van de Rooms-katholieke Eredienst onder de oud-Zwollenaar Thorbecke. Erg succesvol was hij niet. Zijn voorstellen sloegen niet aan en uit eigen beweging gaf hij het ministerschap op 16 oktober 1852 op. Hij bekleedde vervolgens geen openbare ambten meer en trok zich terug op zijn landgoed De Alerdinck in Heino, waar hij op 29 november 1865 overleed.

J.A.G. baron de Vos van Steenwijk

Het huis in de Kamperstraat had hij al in 1854 verkocht aan Jan Arend Godert baron de Vos van Steenwijk. De in 1818 geboren Jan Arend had in Utrecht rechten gestudeerd en werd in 1853 via de Provinciale Staten lid van de Eerste Kamer. Drie jaar later benoemde de koning hem tot burgemeester van Zwolle. Gezien de eerdere aankoop van het pand wist hij vermoedelijk al van de komende benoeming af. Als buitenplaats bezat hij het landgoed Mataram aan de Poppenallee. De winter bracht hij in de Kamperstraat door. Hij hoefde dan niet met zijn vierspan naar Zwolle te komen om de stukken te tekenen.

De Vos was een echte regent, gewend om mensen te regeren maar met weinig contact met de burgerij. Zijn gezin telde zeven kinderen. Het burgemeesterschap bekleedde hij tot 1867, maar hij bleef wel lid van de Eerste Kamer. Uiteindelijk bracht hij het in 1880 tot commissaris van de koning in Utrecht. Hij was twee jaar eerder naar deze provincie verhuisd. Na zijn pensioen keerde De Vos van Steenwijk niet naar Overijssel terug. Hij overleed op 17 oktober 1906 op zijn buitengoed Voorstonden te Brummen (Gld.).

Het huis in de Kamperstraat was in 1878 gekocht door zijn buurman, de hotelhouder J. Hoven, eigenaar van hotel De Kroon. Bij die gelegenheid werd het pand ook  gesplitst. De neergang van de Kamperstraat was ingezet, want in het vorstelijke huis van de graaf Van Rechteren op nummer 12 was nu Hotel de Kroon gevestigd, wel in een gebouw met allure.

Heilgymnastiek

Een deel van Kamperstraat 10 werd in 1898 verhuurd aan mejuffrouw Milatz, die er tien jaar lang heilgymnastiek en massage gaf. De in 1872 geboren Maria W.J. Milatz was een dochter van een gymnastiekleraar, die zich in 1894 in Zwolle gevestigd had.

In het huis aan de Kamperstraat 10 en later aan de Zeven Alleetjes had zij een praktijk voor heilgymnastiek en massage. Ze hield ook lezingen over reformkleding voor dames. Oorspronkelijk was ze van evangelisch-lutherse huize, maar later werd ze doopsgezind. Ongetwijfeld behoorde ze tot de eerste feministische golf. Zelf is ze nooit in de doopsgezinde kerkenraad gekozen. Ze bedankte als lid van deze  gezindte in februari 1924. Op 15 augustus van het volgende jaar werd zij rooms-katholiek gedoopt. Ze overleed op 2 juni 1935 in het Onze Lieve Vrouwe-pension.

Diverse bestemmingen

In 1907 werd J.H. Jacobs, van de firma N.I. Jacobs, een fabrikant van borstels, eigenaar van het pand. Hij oefende er zijn bedrijf uit. Acht jaar later ging het huis naar de vereniging Kinderzorg in Overijssel, die er maar kort gevestigd was en het huis ook nooit gebruikt heeft. Het was een vereniging van hervormde diaconieën in Overijssel, opgericht op 24 januari 1907. Op grond van de kinderwetten van 1905 was het mogelijk kinderen uit huis te plaatsen bij particulieren of ze in een tehuis onder te brengen. 57 van de 75 diaconieën waren hierbij aangesloten. De vereniging streefde naar een doorgangshuis voor de eerste opvang. De bedoeling van het pand in de Kamperstraat, dat door een anonieme schenking aangekocht kon worden, was er kinderen te plaatsen waar men niet direct weg mee wist.

Hoewel men dringend behoefte aan een dergelijk huis had, is het niet in gebruik genomen. De voorgenomen opening op 2 maart 1916 ging niet door, omdat het een militair gebouw was geworden. De territoriaal bevelhebber van Overijssel had er beslag op laten leggen - het was mobilisatietijd! - om er zijn bureau te vestigen. Inmiddels was er echter ook twijfel bij het bestuur gerezen of het gebouw wel zo geschikt was: midden in de stad, groot en vrij somber. Bovendien was het tijdstip erg ongeschikt: stijgende prijzen en voedselschaarste.

Toen de oorlog voorbij was, bleek er zoveel aan verbouwd te moeten worden, dat het bestuur het beter achtte het huis met voordeel te verkopen en een nieuw huis te bouwen. Op het laatste moest wel even worden gewacht. Pas in 1927 kon de vereniging het Julianahuis in de Terborgstraat openen.

Schoolgebouw

In 1919 werd de Christelijke HBS de eigenares. De twee jaar eerder doorgevoerde financiële gelijkstelling van het bijzonder en het openbaar onderwijs had het mogelijk gemaakt een middelbare school te stichten. Dat geschiedde in september 1919 te Zwolle en de 28 leerlingen (21 jongens en 7 meisjes) begonnen in twee klassen in het pand Kamperstraat 10. Het bestuur bestond uit mensen van orthodox christelijke huize uit Zwolle en omgeving (onder anderen dr. J. Ridderbos van de Theologische Hogeschool in Kampen, ds. J.J. Valeton, predikant kinderzorg te Zwolle, dr. C. Bouma, gereformeerd predikant te Zwolle, ds. CD. van Noppen, hervormd predikant te Zwolle, ds. J.E. Klomp, hervormd predikant te Oldebroek en ds. A.J.W. van Ingen, hervormd predikant te Hattem).

Er waren acht leraren aan verbonden. De school was klein vergeleken met de Rijks HBS, die 300 leerlingen telde, maar het aantal scholieren groeide toch gestaag. In 1920 waren er drie klassen en tien leraren met 47 leerlingen en een jaar later zestien leraren en 88 leerlingen. In 1922 werd voor het eerst eindexamen gedaan. Alle negen leerlingen slaagden.

De school telde toen bijna 100 leerlingen en we kunnen ons indenken, dat het wat de huisvesting betreft een ware noodtoestand was in het betrekkelijk kleine pand. In de tuin waren een paar barakken geplaatst en gymnastiek werd op de zolder gegeven. Maar men week ook uit naar het lokaal van mejuffrouw Milatz, de vroegere bewoonster van het huis, die nu een heilgymnastiekpraktijk had in de Zeven Alleetjes.

Grond voor een nieuw gebouw was al in 1920 aan de Veerallee gekocht, maar de bouw vlotte niet zo erg. Eerst in juni 1925 kon de school met 86 jongens en 24 meisjes naar het nieuwe onderkomen verhuizen. Men was in de Kamperstraat letterlijk uit z'n jasje gegroeid.

Eigendom van de Hervormde Gemeente

Op 9 juni 1925 kon daarom het eigendom voor ƒ 20.000,- overgaan op de Hervormde Gemeente. Het gebouw werd in de koopakte als volgt beschreven: 'een herenhuis met tuin en erf aan de Kamperstraat 10 en twee huisjes met erven aan de Ossenmarkt nr. 37 en 38 te Zwolle. Kad. F nrs. 5316-4214 en 4452, samen groot 6 are en 54 ca.'

Het was ds. A. de Haan, die in de vergadering van de kerkvoogdij op 14 maart 1925 de aandacht op dit pand vestigde. Hij was in 1912 secretaris van de kerkvoogdij geworden en wist dat er voor de ruim 2000 catechisanten, die de Hervormde Gemeente toen nog telde, maar zeer weinig ruimte was. De lessen werden op onmogelijke uren gegeven op verschillende plaatsen in de stad: in de kerken, de evangelisatiegebouwen en bij de predikanten thuis. Nu zou alles geconcentreerd kunnen worden in één 'schoolgebouw', waar alle hulpmiddelen konden blijven. Kamperstraat 10 leek De Haan een geschikt huis. Alleen de vraagprijs van ƒ 26.000,- vond hij wat te hoog, maar daarover zou te praten zijn. Hij wees erop dat de  kerkvoogdij nog de beschikking had over een legaat van wijlen mr. Kaempf.

De in 1843 in Giethoorn geboren mr. C.F. Kaempf was in 1865 in Zwolle komen wonen. Hij vestigde zich er als notaris en advocaat. Kaempf bewoonde een huis aan de Grote Markt (nummer 10, de huidige ijssalon Talamini) en was één van de hoogst aangeslagenen in de gemeentelijke belasting. Hij woonde tot 1916 in de stad, waarna hij zijn laatste jaren in Den Haag doorbracht. Kaempf, die vrijgezel was, had zijn oude woonplaats niet vergeten en liet aan de Hervormde Gemeente ƒ 10.000,- na, dat in 1924 al een aardige rente had opgebracht. Aan de diaconie vermaakte hij ƒ 25.000,-.

De aankoop van Kamperstraat 10 zou een goede bestemming zijn voor het legaat en De Haan wilde een bod doen van ruim ƒ 18.000,-. Voorzitter Jordens kon zich hierin vinden. Alleen één lid stemde tegen. Er werd geheimhouding gevraagd. Op 9 mei 1925 werd het perceel bekeken en goed bevonden. De houten barakken in de tuin kon men niet gebruiken. Men deed nu snel zaken, hetgeen bespoedigd werd omdat de verkoop onder  ‘vrienden' plaatsvond. Het bestuur van de Christelijke HBS bestond namelijk uit gereformeerden en rechtzinnig hervormden. Men werd het eens over een bedrag van ƒ 20.000,- en op 9 juni 1925 werd de akte ondertekend.

Er moest uiteraard wel wat opgeknapt worden. Hiervoor werd een commissie ingesteld, die ook een conciërge benoemde. Het echtpaar L. Akkers kreeg een 'beloning' van ƒ 3,- per week met vrij wonen en vrij licht en per jaar ƒ 25,- voor de grote schoonmaak. Een jaar later werd het ƒ 5,- per week. De man was pakhuisknecht en hij zal die baan zeker nodig gehad hebben om rond te kunnen komen.

Op zaterdag 19 september 1925 om 3 uur 's middags werd het gebouw plechtig geopend in aanwezigheid van de notabelen, de kerkvoogdij en de kerkenraad. President-kerkvoogd DJ.R. Jordens hield daarbij een toespraak. In de gevel werden steentjes aangebracht met het opschrift: Catechisatie Gebouw der Nederd: Hervormde Gemeente. Nederduits was een oude benaming om onderscheid te maken met de Waals Hervormde Gemeente. 

Er was voorlopig ruimte genoeg. Beneden waren vier ruime kamers en boven vier wat kleinere kamers. Daarom kreeg ook de koster van de Grote Kerk, die hand en spandiensten verrichtte voor de kerkelijke administratie, een ruimte toegewezen. De diaconie mocht er zijn bureau vestigen tegen een huur van ƒ 150,- per jaar. Tevens werden drie kamers op zondag voor clubbijeenkomsten verhuurd aan de Christelijke Jongemannenvereniging. Weer was het ds. De Haan die voor dit laatste een krachtig pleidooi had gevoerd. Elke predikant had hier tussen 1925 en 1950 een vaste kamer.

Na de Tweede Wereldoorlog

De ontwikkelingen in de Hervormde Gemeente maakten het gebouw na de oorlog minder functioneel. Reeds in 1945 werd de stad verdeeld in drie wijken, maar wel onder één kerkenraad. Kamperstraat 10 bleef voorlopig het centrale gebouw voor de catechisaties. In 1949 kreeg het zelfs nog een grondige opknapbeurt. Maar er werd gezocht naar een andere vorm, die in 1957 gestalte kreeg: tien zelfstandige wijkgemeenten met een gezamenlijk kerkelijk apparaat. Het accent kwam toen te liggen op de wijk waar een kerk, een pastorie en wijkgebouw waren. Vanzelfsprekend werden daar de catechisaties gehouden. Dat is niet in één klap gegaan. Langzamerhand werd de verschuiving duidelijk. In 1960 wilde ds. Korevaar nog de beschikking hebben over een lokaal waar 80 (!) catechisanten ontvangen konden worden, die allen van het toen nog landelijke Berkum naar het centrum van Zwolle togen. Maar langzamerhand gingen alle predikanten ertoe over om hun lessen in de wijkgemeenten zelf te geven.

In 1959 besloot de kerkvoogdij een algemeen secretariaat voor het kerkelijk werk in te stellen, waar ook de diaconie ondergebracht zou worden. De diaconie stemde daarmee in. De kerkvoogdij had sedert 1930 een bureau aan de Grote Markt met vijf medewerkers en de diaconie had haar bureau aan de Kamperstraat met drie medewerkers en de koster van de Grote Kerk. De laatste koster, die ook het achtergelegen woonhuis betrok, was de heer A. Jolink. Na zijn vertrek werd het huis verhuurd aan studenten. Drie lokalen konden aan de Nederlandse Spoorwegen verhuurd worden en de gehele administratie werd beneden gehuisvest.

Het nieuwe kerkelijke bureau kwam na een verbouwing op 1 december 1960 in het pand. Twee predikanten kregen ruimte toegewezen in het voormalige kerkelijk bureau aan de Grote Markt. Hoofd werd de heer Millekamp, die tot dusver het diaconaal bureau had geleid. De heer J.J. van der Waarde, die vanaf 1947 hoofd van het kerkelijk bureau was, werkte z'n opvolger in en ging op 1 januari 1961 met pensioen. Op 12 september 1972 werd hij opgevolgd door de heer H. Meliesie, die op zijn beurt het bureau leidde tot 1 maart 1992. Thans is de leiding in handen van de heren E. Roosink en W. van Rhee. Veel werkzaamheden zijn volledig geautomatiseerd, zodat zij daarnaast nog slechts enkele parttimers nodig hebben en -dat is het voordeel van een kerkelijke administratie - de hulp van veel vrijwilligers die op gezette tijden het 'buik-werk' doen.

In 1965 kwam de Christelijke huishoudschool Dabar in het pand, die er drie jaar doorbracht. Daarna waren er steeds andere huurders. Momenteel is dat advocaat J. Floor. Tot 1970 konden in het pand ook nog catechisaties geven worden. Het langste heeft wijk II dat gedaan. De leerlingen kwamen uit heel Zwolle en de wijde omtrek.

Slot

Het huis Kamperstraat 10 heeft een bonte historie achter de rug, die zeker nog niet afgesloten is. Vooral de binnenkant van het pand heeft een 'facelift' nodig. De brede monumentale stoep zal wel niet meer in ere hersteld kunnen worden. Daarvoor is de Kamperstraat te smal geworden. De brede voordeuren hebben iets bedriegelijks. Slechts de helft geeft toegang tot een vrij smalle gang. De plafonds in de kamers roepen nog beelden op van het oude patriciërshuis, evenals de monumentale trap naar boven, die toegang geeft tot vier grotere en kleinere kamers, die door de houten schotten weinig meer laten zien van wat het eenmaal was. Maar de zolder met de oude balkenconstructie en de kleine dienstbodekamer, alleen met een klein dakvenster, roept weer ruimschoots herinneringen op aan het verleden. En de donkere en vrij vochtige woning achter het huis geeft ook iets weer van de omstandigheden, waaronder vroeger het personeel moest werken en wonen.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Zwols Historisch Tijdschrift 1993, nr. 3. Het Zwols Historisch Tijdschrift is het huisorgaan van de Zwolse Historische Vereniging.

Reacties